together

Op 4 april vond de Kenniskring ‘Botsende Waarden’ plaats. Albert Jan Kruiter en Eelke Blokker (oprichters Instituut voor Publieke Waarden) gaven een inspirerende presentatie over Sociaal Hospitaal, impact ondernemerschap en het Algemeen Belang. De mensen van Sociaal Hospitaal zijn bevlogen ondernemers, vastbesloten om hun plan middels een Social Impact Bond tot uitvoer te kunnen brengen.

HET SOCIAAL HOSPITAAL: BETROKKENHEID, LEGITIMITEIT, RENDEMENT
Presentatie Albert Jan Kruiter en Eelke Blokker tijdens de Kenniskring ‘Botsende Waarden’

Het algemene belang van nul tot nu

Het algemene of publieke belang is niet iets nieuws. Het is al 2500 jaar van belang. De Grieken reserveerden de term ‘idiotes’, waar onze term ‘idioten’ vandaan komt, voor mensen die genoeg tijd en geld hadden om zich in te spannen voor de publieke zaak, maar dat niet deden. Dat kunnen we eigenlijk wel weer introduceren, want veel mensen zijn in die zin idioot geworden in Nederland.

Maar van wie was nu de publieke zaak in Griekenland? Die was van een kleine groep mensen, ongeveer 10% van de bevolking, die tijd en geld hadden om zich daarmee bezig te houden. En filosofen als Plato, Aristoteles en Socrates onderstreepten dat dit je burgerplicht was. De publieke moraal ging voor de private moraal. Toen deze drie wijsheren vlak na elkaar kwamen te overlijden veranderde er iets in de samenleving. De Grieken vonden het wel welletjes geweest met de publieke moraal en ze stelden het individu voorop in de democratie. Binnen enkele decennia kwam de Griekse beschaving ten val.

De Romeinen pikten dit idee vrij snel op: de Res Publica. Civis Romanus sum; oftewel ‘ik ben Romeins staatsburger’. De Romeinen deden het wel ietsje anders. Het ging volgens hen niet alleen om een morele plicht om je in te spannen voor de eer en glorie van Rome. Daar kwamen ook rechten bij kijken. Zoals het recht op bescherming door het Romeinse leger.

De Romeinse geschiedschrijver Tacitus die schreef: hoe individualistischer de Romeinen werden, hoe meer regeltjes er nodig waren om ze naar het publieke belang te laten handelen. Uiteindelijk viel ook het grote Romeinse Rijk.

In Nederland kwam een besef van het publieke belang of burgerschap op vlak na de Italiaanse stadsstaten. Wij waren natuurlijk koopmannen en dominees, dus we verbonden burgerschap aan handelen. In Rotterdam kon je burger worden met de daarbij behorende rechten door 3000 stenen te betalen voor de bouw van de Laurenskerk. Een betere combinatie van dominee en koopman kan je niet verzonnen krijgen. Het publieke belang lag veel meer in handen van burgers. De Nachtwacht was eigenlijk een groep bezorgde burgers die bewapend met musketten en helmen door Amsterdam trokken om orde en rust te bewaken. Een soort buurtvaders zeg maar.

Het initiatief lag bij de burgerij of bij de gilde, de ondernemers. De overheid was een relatief klein groepje. Lang zo machtig niet. De vader van onze bekende gebroeders de Wit werd regent, maar niet voordat hij succesvol ondernemer was geweest. Het ondernemerschap zat de regenten in de 17e eeuw in het bloed. Daar stond Nederland ook om bekend: een landje van ondernemers die hun eigen land aan besturen waren. Terwijl om ons heen nog vooral koningen en hoven waren. Dus zowel in private als publieke zin waren we al aan het ondernemen.

Als we een sprong maken naar de Franse Revolutie zien we dat er dan iets raars aan de hand is met het publieke belang. In die tijd wordt de universele verklaring van de rechten van de mens opgesteld. En daarin stond dat burgers niet alleen plichten maar ook rechten hadden. Burgerschap is niet langer iets exclusiefs maar iedereen moet zich dan inspannen voor de publieke zaak. We werden allemaal burger met die verklaring. En dat baarde de meeste mensen zorgen. In ons land vooral Thorbecke. Die schreef in 1846 het essay ‘Over Staatsburgerschap’. Als iedereen verantwoordelijk wordt voor de publieke zaak betekende dit volgens hem dat niemand dit meer was. Vroeger spande de elite zich er voor in, en nu moest iedereen dit doen. Maar de meeste mensen konden niet eens lezen of schrijven. Dat was een probleem. Hoe kunnen die nu burger zijn? Als je de hele dag aan het overleven bent, wat moet je dan met het publieke belang? Thorbecke schrijft: “Zijn blik, gebonden aan de eigen dagelijksche behoefte, kan zich tot de algemeene zaak niet verheffen”. Vanuit daar ontstaat de gedachte over een morele plicht om mensen zo hoog op te leiden dat iedereen zich kan inspannen voor die publieke zaak. Dat is de kiem van de Nederlandse verzorgingsstaat.

 

Het algemene belang in Nederland: van burger tot klant

In 1950 kwam dit tot volle bloei. Alle grote zorginstellingen die we nu kennen waren toen particuliere initiatieven. Alle buurthuizen en verenigingen die nu geprofessionaliseerd zijn, waren maatschappelijke initiatieven, grotendeels gebaseerd op vrijwilligerswerk. In de jaren ’50 was dat een groot probleem. Hoe handig vrijwilligers ook zijn: ze betalen geen belasting, want ze hebben geen inkomens. En in de jaren ’50 hadden we geld nodig om Nederland op te bouwen. Vanuit de overheid werd er daarom massaal programma’s opgesteld om van burgers professionals te maken. Om maatschappelijk initiatief te institutionaliseren tot een officiële overheidsinstelling. Want die burgers moesten gaan werken en niet alles maar een beetje vrijwillig lopen doen. Toen zijn burgers eigenlijk massaal onteigend. Daar werd door de politiek strategisch goed over nagedacht. Eerst kregen de burgers een beetje geld. En toen ze daar niet meer zonder konden werden er wat regeltjes aan toegevoegd. Daar werd op toegezien, en er kwam handhaving, en voor je het weet kunnen de burgers niet meer zonder de overheid.

Dat is een hele klap geweest voor het nadenken en meevoelen over wat het publiek belang is. In de jaren ’60 kwam daar nog een soort revolutie van babyboomers overheen. Maar de actievoerders van die tijd hebben het vooral gehad over de democratische kant van het verhaal en niet over de verzorgingsstatelijke kant van het verhaal. En op een gegeven moment zijn zij gaan werken. Dit was een tweede klap voor het maatschappelijke initiatief, want een hele generatie van psychologen, bestuurskundigen, orthopedagogen, politicologen kwamen op de arbeidsmarkt die de vrijwilligers die er nog waren vervingen. Denk aan voorleesmoeders die remedial teacher moesten worden.

De derde klap kwam in de negentiger jaren. Toen mochten we überhaupt geen burger meer zijn maar kregen we het predicaat klant. En ik hoef u niet te vertellen dat er een groot verschil tussen een klant en een burger is. Een klant moet zijn eigen korte termijn belang benadrukken want anders werkt de markt niet. De overheid zei in feite in de negentiger jaren: publiek belang daar gaat het niet om. Het gaat om uw eigen belang. U bent een klant en we gaan u ook zo benaderen.

Terpstra riep in 1996 in de kamer: het merendeel van zorg wordt thans door huisgenoten geleverd, die kunnen we nu allemaal gaan betalen. Vijftien jaar geleden is het persoonsgebonden budget geboren. Het geld klotste tegen de plinten op. Dus je kon mensen ook financieel stimuleren om te handelen naar het overeenkomstig publieke belang. Wat een hele rare prikkel is. Geldprikkels gaan namelijk altijd over het individuele belang.

Dus wat we, als we terugkijken vanaf Plato, eigenlijk gezien hebben is dat de democratische samenleving alleen maar individualistischer is geworden en dat de democratische overheid alleen maar centralistischer en bureaucratischer is geworden. En dat is onbetaalbaar. Los van het feit dat als we zo door gaan dat we dan straks 25% AWBZ premie betalen, hebben we ook 400.000 extra verpleegkundigen nodig om die groei op te vangen. Vorig jaar zijn er net 12000 extra bijgekomen. Dat gaat gewoon niet lukken. We moeten iets anders.

 

Drie waarden van algemeen belang: betrokkenheid, legitimiteit en rendement

Als we een rondgang maken bij gemeenten en de rijksoverheid, dan zien we de volgende trend. Wat de decentralisaties van de jeugdzorg eigenlijk bewerkstelligen is dat de rijksoverheid zegt: we zijn te centraal en de burger, of de klant, is te individualistisch, en we willen dat de gemeente daar iets aan gaat doen. Op lokaal niveau. En dat noemen: beleid dichter bij de burger brengen. De decentralisaties vormen daar dan het instrument voor. Die decentralisaties houden per stuk in dat het recht op zorg wordt afgeschaft. De WMO komt daar voor terug en daar zit geen recht op zorg in. Het budget van de gemeenten is bovendien kleiner dan het geld dat het Rijk ooit had om die problemen op te lossen. Er ontstaat lokaal ruimte, maar er is minder geld, en er ontstaan nieuwe publieke problemen. Daar zien we een soort botsing ontstaan.

Tijdens de kick-off was Phillip Blond hier te gast. Hij zegt: we hebben Big Market gehad, we hebben Big Government gehad, en die zijn beiden mislukt. Laten we nu eens Big Society proberen. Terwijl het voor een Nederlandse analyse misschien veel eigenlijker is om te zeggen: waarom zouden we het niet meer gezamenlijk proberen? De reden dat Big Market en Big Government in Engeland gefaald hebben is omdat ze alleen de macht kregen. Waarom zou je niet zeggen: we hebben ze alle drie nodig?

Ik ga nog een stukje verder in die analyse. De kracht van de markt, dat wat de markt beter kan dan overheid en samenleving, is rendement produceren. Kosten en baten. Efficiency. Geld laten renderen. De Overheid kan het beste legitimiteit produceren. Mensen rechtvaardig en gelijk behandelen. De samenleving kan het beste betrokkenheid genereren. Ik doe eerder iets voor mijn medemens als mijn medemens dat vraagt dan wanneer als een overheid dat mij oplegt, of de markt dat reguleert.

Onze uitdaging voor de toekomst is om gebruik te maken van die krachten die onder de drie pilaren zitten. Voor een maatschappelijk initiatief heb je dus drie dingen nodig: rendement, het moet goedkoper; het moet legitiem zijn, we moeten niemand uitsluiten; en het moet betrokken zijn, burgers moeten meedoen. Die drie schotsen zijn ook leidend voor alle projecten die Het Instituut voor Publieke Waarden onderneemt.

 

De waarden in praktijk

Maar de meeste ondernemers hebben maar twee benen en die zijn dus de hele tijd aan het springen van de ene waarde naar de ander. Een voorbeeld om dit te illustreren. In Amsterdam heeft een groep burgers een gebouwtje neergezet in een park. Ze geven daar concerten en je kunt er koffie drinken. In dat park sliepen daklozen. In Rotterdam is ook zo’n gebouwtje neergezet, en ook daar sliepen daklozen. In Amsterdam hebben ze zich gerealiseerd dat de daklozen bij het park horen, en ze hebben naar manieren gezocht om ze te betrekken. De daklozen helpen bij de beveiliging, staan achter de bar, en ze kunnen er slapen. In Rotterdam hebben ze aan de gemeente gevraagd of die daklozen niet uit het park konden worden verwijderd. Commercieel rendeert het gebouwtje in Rotterdam stukken beter dan het gebouwtje in Amsterdam. Alleen gekeken naar de kosten en baten op korte termijn zal de wethouder blijer zijn met het gebouwtje in Rotterdam. Maar kijk je naar de lange termijn, dan moet je ook de kosten meerekenen van de daklozen die nu elders rondlopen, geen onderdak hebben, misschien gaan stelen, enzovoort. In Amsterdam verkopen ze minder kopjes koffie maar ze vangen wel de daklozen op. En dat kan niet gemonetairiseerd worden op dit moment. Dus de burgers doen het nu maar gewoon omdat ze het moreel verantwoord vinden. Maar als je dit zou kunnen monetairiseren, en je zou met de gemeente kunnen afspreken dat je 5000 euro per dakloze krijgt. En dan rendeert het misschien wel.

We zien de hele tijd dat mensen die hoog scoren op legitimiteit, laag scoren op rendement. En mensen die hoog scoren op betrokkenheid scoren ietsje lager op rendement. Maar langzamerhand proberen we te onderzoeken of je op alle drie een 7 kan halen. Kun je die drie waarden meer met elkaar in balans brengen? Alle drie een 10 gaat niet lukken. Daar is de botsing te heftig voor. En waar ik bang voor ben is dat bij sociaal ondernemerschap in Nederland alleen die kosten en baten analyse dominant wordt. Rendement is ontzettend belangrijk, zonder rendement moet je niet eens beginnen. Maar een 7 is ook goed als je op de andere twee waarde dan ook hoger kan scoren. Met ons eigen initiatief, Sociaal Hospitaal, zijn we dit aan het ontdekken. We gebruiken nu de drie waarden, rendement, betrokkenheid en legitimiteit, en we hopen dit de komende jaren te operationaliseren. Met ons Sociaal Hospitaal denken we hoog te scoren op het legitimiteitsprincipe, en we hopen vanavond met jullie meer inzicht te krijgen hoe we ook een hoger rendement kunnen behalen.

 

Het Sociaal Hospitaal

Met het Sociaal Hospitaal komen we op plekken waar burgerkracht en eigen initiatief niet vanzelfsprekend is. De grootste uitdaging die we op de plekken aantreffen is dat het aantal professionals de spuigaten uitloopt en dat die uiteindelijk niet weten wat de oplossing is voor het gezin. We hebben wel eens 42 mensen rond één man geteld. En dat is duur. Het Ministerie van VWS heeft ingeschat dat er ongeveer 100.000 gezinnen zijn met meervoudige problematiek. Deze gezinnen kosten om en nabij de 100.000 euro per gezin per jaar. Er zijn ook onderzoeken die stellen dat die gezinnen ongeveer 40.000 euro per jaar kosten. Niemand weet het precieze getal. Maar het kost een hoop geld.

Er is één duidelijk overkoepelend kenmerk bij al die gezinnen die wij zien: ze zijn de hulpverleners beu. Er zijn te veel hulpverleners die te weinig bereiken. Ze organiseren niet de toegang tot wat de gezinnen zelf het liefste willen. Dat gaat vaak over bestaanszekerheid. Ze willen zelf hun leven weer terug, ze weten alleen niet hoe. En de regisseurs die worden ingezet regisseren de professionals en niet het gezin.

Met het Sociaal Hospitaal onderzoeken we hoe het beter kan. De gezinnen weten van zichzelf het beste dat ze een gezin zijn met problemen, ze weten zelf het beste dat ze de hulpverleners beu zijn en dat het niet aansluit op wat ze willen. Op Sociaal Hospitaal (http://www.sociaalhospitaal.nl/) kunnen mensen hun gegevens invullen en hun probleem omschrijven, en dan gaat onze backoffice er mee aan de slag. We garanderen niet dat we de gezinnen kunnen helpen, maar we gaan samen met deze mensen aan de slag om een plan te maken.

We zoeken naar maximale betrokkenheid van het gezin bij de oplossing van het probleem. De verrassing is dat ze dit ook heel graag willen. Als wij ze vragen hoe ze 100.000 euro zouden besteden om hun problemen aan te pakken, dan komen ze met eenvoudige goedkopere oplossingen waar ze zelf een grote rol in hebben. Ze geven dan als voorbeeld dat ze hun auto hebben verkocht omdat ze in de schuldsanering moesten. Ze hebben twee kinderen waarvoor ze 8000,- euro vergoeding krijgen voor gehandicaptenvervoer. Als je ons op marktplaats een tweedehands auto laat kopen, dan kan de gemeente die 8000,- euro de komende vier jaar in hun zak steken.

Mensen zijn vaak op zoek naar een voorziening, maar dat komt ook voort uit een drang om erkenning. Ze hebben lang niet altijd ook echt die specifieke voorziening nodig. Ze vragen vooral vaak toegang tot de dingen die ze nodig hebben en de gezinsmanagers of regisseurs kunnen dit vaak ook niet realiseren omdat ze door de bureaucratie van het kastje naar de muur worden gestuurd.

Wat we belangrijk vinden is dat er wordt geleerd van de cases die we behandelen. We ontsluiten dus ook de casuïstiek voor huidige professionals om te zien waar bijvoorbeeld de Wet of Jeugdzorg nu niet werkt. Om bijvoorbeeld de mechanismen van de decentralisatie bloot te leggen. Het is dus ook een onderzoeksproject. Onze grootste kwaliteit is onze bureaucratische competentie. Daar zijn we gewoon heel goed in. We maken overzicht tussen alle problemen.

Wij denken dat het minstens 25% goedkoper kan achter die voordeur, en met Sociaal Hospitaal willen we dat realiseren. We gaan vanavond graag met u in gesprek over onze mogelijkheden daartoe.

 

***          ***          ***          ***          ***          ***          ***          ***          ***          ***          ***          ***          ***          ***

 

[Aanwezigen van deze kenniskring kunnen het verslag van de dialoog opvragen via info@societyimpact.nl]